GEÏNTERVIEWDE: GALINA GAVRILOVA (1959)

“DE LEEMKUIL HEEFT TWEE KANTEN”

Interviewer & auteur Lian van der Zon

 

 

Landgoed de Leemkuil in Wageningen heeft in het verleden verschillende functies gehad. Er verbleven hotelgasten en overwerkte ambtenaren uit Amsterdam. Sinds 1991 is het een asielzoekerscentrum en zijn er vluchtelingen van over de hele wereld gehuisvest. Elk van de bewoners heeft een eigen verhaal. Zo ook Galina Gavrilova. In 2000 moest zij noodgedwongen haar geboorteland verlaten. Samen met haar man en kinderen woonde Galina zes jaar in de Leemkuil.

 

TSJETSJEENSE OORLOG

“Ik ben geboren in een deel van de Russische federatie, in Tsjetsjenië. Tsjetsjenië is echt een Moslimrepubliek. Ik en mijn ouders zijn christenen. In mijn kinderjaren was er geen verschil tussen mensen van verschillende nationaliteiten. Maar dat veranderde toen de oorlog uitbrak. Het werd echt spannend. Tijdens de Eerste Tsjetsjeense oorlog dachten wij nog dat het goed zou komen. Wij hoopten dat we konden blijven. Maar tijdens de Tweede Tsjetsjeense Oorlog werd onze stad Grozny gebombardeerd. Toen zijn mijn man en ik samen met onze kinderen naar Nederland gevlucht.

 

TRANSFER NAAR DE LEEMKUIL

Wij kwamen hier in de zomer van 2000. Eerst hebben we in een opvangcentrum (oc) in Eindhoven gewoond. In Eindhoven werkte ik bij de crèche. Daar had ik goede contacten met Nederlandse vrijwilligsters. Toen ik hoorde dat we een transfer kregen naar het asielzoekerscentrum (azc) Leemkuil in Wageningen, vroeg ik aan mijn collega: ‘Waar is dat? Is dat een goeie plek?’. Ze antwoordde dat het een heel mooi plekje was, met heel veel bossen. Dat was het enige dat ik wist over de Leemkuil.

 

EEN HELEBOEL SLEUTELS

Toen wij daar aankwamen was het December. Er lag een beetje sneeuw en de hemel was grijs. Wij moesten eventjes wachten, bij de receptie. Toen kwam de beheerder van het azc, met een heleboel sleutels. Hij zei: ‘Kom maar mee.’ Wij gingen naar binnen en meteen door naar de kelder. Daar was onze kamer. Eén van de sleutels was voor de douche, die was apart in de gang. Er was één sleutel voor het vrouwentoilet en één voor het mannentoilet.

 

VERHUIZEN NAAR DE TWEEDE VERDIEPING

Toen ik dat zag dacht ik: ‘O jeetje mina.’ De Leemkuil was absoluut anders van het oc in Eindhoven. Dat we in de kelder moesten wonen, was een beetje onverwacht. Ik dacht namelijk dat het in een azc beter zou gaan dan in een oc, want daar moet je langer blijven. Maar gelukkig woonden wij niet zo lang in de kelder. Ongeveer een half jaar. Toen verhuisden wij naar tweede verdieping. Daar was een aparte kamer, met eigen toilet en eigen douche. De keuken was in de gang, die was voor alle bewoners van tweede verdieping.

 

ZONNIGE DAGEN

De eerste dagen in de Leemkuil waren dus een beetje spannend. Ik vond het niet zo leuk. Onze aankomst herinner ik me als grijs en donker. En al die sleutels! Maar later kwamen de mooie, zonnige dagen. Het bos werd mooi, er waren een heleboel bloemen. Als we vanuit Leemkuil boodschappen gingen doen in Bennenkom gingen we door een straat met hele mooie Rododendrons in verschillende kleuren. Echt een mooie straat.

 

TWEE KANTEN

In principe is de Leemkuil van één kant een heel mooi gebouw. Maar van de andere kant is het absoluut anders. Wij zaten in het nieuwe gebouw. In het oude, mooie gebouw zat het personeel en de administratie. Zes jaar zaten we met zijn vieren in één kamer. Mijn man, ik en onze twee kinderen. Het was een kleine kamer met vier bedden. In de hoek stond een koelkast. Er stond nog een tafel en een kastje, verder niets.

 

KAPOT DOOR DE WIND

Om het asielzoekerscentrum was een soort grasveld. Daar speelden de kinderen op. Er werden ook wel eens activiteiten georganiseerd door de vrijwilligers. Om het veld stond een hekje en daarachter was een bosweggetje. Daarachter was het bos. Op het territorium van de Leemkuil stonden een paar bomen en rododendrons. Eén jaar stormde het heel hard. Ik dacht: ‘O, jee zo’n harde wind!’ Toen is die grote kastanjeboom omgewaaid. Hij was helemaal kapot door de wind. Dat was wel jammer, het was onze favoriete boom. Je kon er altijd fijn onder zitten, in de schaduw.

 

ZOEKEN NAAR AFLEIDING

Mijn man en ik gingen twee keer per week naar het leslokaal om de Nederlandse taal te leren. We kregen altijd huiswerk. Wij moesten drie, vier oefeningen doen. Later moesten we wel eens een verhaaltje schrijven. Dat was wel moeilijk. Op andere dagen gingen we boodschappen doen of naar de markt. En ik werkte als vrijwilliger bij de crèche. Bovendien hadden we 's avonds verschillende cursussen. We kregen bijvoorbeeld een cursus knippen of bakken. Ik deed zo’n beetje elke cursus die er was. Want ik was bezorgd over wat kwam. Konden we wel blijven? De cursussen waren een goede afleiding.

 

HET LEVEN BUITEN HET CENTRUM

Als je in een asielzoekerscentrum zit, krijg je weinig informatie over de buitenwereld. Er is natuurlijk het probleem van taal. We hadden geen kranten, alleen televisie. Meestal wilden de kinderen naar kinderprogramma’s kijken. En als je het nieuws keek, was dat lastig om helemaal te begrijpen. De Leemkuil was echt een andere wereld dan bijvoorbeeld Bennenkom of Wageningen. Maar de medewerkers probeerden ons zo veel mogelijk te betrekken bij het leven buiten het centrum. Ze vertelden ons bijvoorbeeld over een feestje in Wageningen. Dan konden we gaan kijken. Dat was belangrijk, want dan leerde je de taal.

 

DE HELE WERELD IN ÉÉN GEBOUW

Met de andere bewoners van de Leemkuil hadden we maar een klein beetje contact. We praatten met half Nederlandse woorden en een klein beetje Engels of Frans. De meeste mensen spraken de taal uit hun eigen land. Communiceren was dus lastig. Daarom dacht ik altijd: eerst taal! Taal, taal, taal! Bijna de hele wereld zat in één gebouw. Mensen met verschillende nationaliteiten, verschillende opleidingsniveaus, dat botst soms.

 

TERUG NAAR RUSLAND?

Op de dag dat onze aanvraag werd afgewezen, kwamen er twee politieagenten naar ons huis in de Leemkuil. Alleen mijn oudste zoon was thuis, dus zouden ze de volgende dag terug komen. Ze zouden ons terug naar Rusland sturen. Ik heb toen meteen naar de steungroep gebeld. De volgende dag openden de politieagenten de deur en zagen dat de kamer helemaal vol mensen zat. Dat waren mensen van onze steungroep. Zij hebben met de politie gepraat om te vragen wat ze nog konden doen. De mensen van de steungroep hebben heel veel voor ons gedaan. Dat we uiteindelijk toch in Nederland mochten blijven is voor een groot deel dankzij hen.

 

VERDER LEREN

Wij mochten geen opleiding doen. Toen we in 2000 twee keer een negatief antwoord op onze asielaanvraag kregen, mochten we officieel niet eens de taal leren. Ik vond dat onbegrijpelijk. Ook al was de aanvraag afgewezen, we moesten nog wel steeds boodschappen doen of bijvoorbeeld naar de dokter. Je moet dan sowieso de taal gebruiken. Dus waarom mag je niet verder leren? Dat begrijp ik niet. Maar gelukkig had ik goede contacten met de mensen van de Leemkuil. Zij zeiden: ‘Oké, jullie gingen altijd netjes naar de lessen en deden je huiswerk.’ Dus we mochten verder met de taal leren. Dat was belangrijk voor mij.

 

WEG UIT DE LEEMKUIL

In principe moesten wij tot 2007 in de Leemkuil blijven. Maar wij hadden een steungroep, bestaande uit ouders, leerkrachten van school, kennissen, vrienden. Via deze groep kregen wij een tijdelijke woning. Daar hebben we een jaar gewoond. Dat was zo’n groot verschil! Van één kamertje in het azc naar een eigen appartement! We hadden een grote woonkamer en boven drie slaapkamers. Dat was een paleis voor ons. En de kinderen hadden een aparte kamer. Die waren zo blij. Echt heimwee naar de Leemkuil hadden we niet. Ik probeer niet zo vaak terug te kijken naar de tijd in de Leemkuil. Het was niet zo’n mooie tijd voor ons. Het was een spannende tijd. Ik vind het wel nog steeds een mooi plekje. Tenminste, vanaf één kant. Het oude gebouw is heel mooi. Daar hebben we ook veel foto’s genomen. Maar aan de andere kant staat een lelijk gebouw. Dat is jammer.”