IN GESPREK MET LANDSCHAPSARCHITECT MICHAEL VAN GESSEL OVER LANDGOED HOF TE DIEREN:

“LANDGOEDEIGENAREN HEBBEN EEN SOORT GEVOELIGHEID NODIG VOOR WAT JE KUNT”

Tekst: Elyze Storms-Smeets. Foto’s Karlijne Pietersma.

Dit interview dateert uit 2009.

 

 

Het middeleeuwse landgoed Hof te Dieren, 1.053 ha groot, heeft tegenwoordig geen landhuis meer. Het landhuis is tot twee keer toe verwoest, in 1795 en 1945. Eigenaar Stichting Twickel heeft plannen om een nieuw landhuis te bouwen. Landschapsarchitect Michael van Gessel werd ingehuurd om het oude park in ere te herstellen.

 

Landschapsarchitect Michael van Gessel raakte betrokken bij landgoed Hof te Dieren dankzij zijn relatie met Stichting Twickel, die de oude familiebezittingen van familie Van Heeckeren van Wassenaer in bezit heeft, zoals Twickel in Delden en Hof te Dieren. Voor landgoed Twickel maakte Van Gessel al eerder een landschapsplan. Toen Van Gessel gevraagd werd voor Hof te Dieren, bestond er al een plan voor een nieuw landhuis. Het was een modern ontwerp voor een appartementengebouw. “Dat was – niet te modern – maar te glasachtig en dat hoort niet bij een buitenplaats. En het was te horizontaal. Horizontaal heeft iets met gelijkheid. En een buitenplaats hoort verticaal te zijn: allure te hebben.”

 

In de tweede helft van de 17e eeuw was het landgoed Hof te Dieren in bezit van Koning-Stadhouder Willem III, die het Hof tussen 1679 en 1684 ingrijpend liet verbouwen en tot zijn favoriete jachthuis omvormde. Uit deze tijd dateren ook de zogenaamde Koningswegen, de kaarsrechte over de Veluwe lopende wegen, die de verschillende jachtverblijven van de Koning-Stadhouder onderling zo kort mogelijk moesten verbinden. Het jachtslot Hof te Dieren werd in 1795 door het Franse leger van Napoleon verwoest. Daarna verpauperde de ruïne snel en verwilderden de geometrische tuinen. In 1822 kwam het landgoed in handen van Maria Cornelia gravin van Wassenaer van Twickel, die hier een eclectisch landhuis “in eenen antieken smaak” liet bouwen. Rond het landhuis werd tegelijkertijd door de beroemde tuinarchitect Jan David Zocher jr. een groot park in landschapsstijl aangelegd, dat later door de Duitse tuinontwerper Eduard Petzold verder verfraaid is. In 1915 schreef de folkloristische schrijver D.J. van der Ven dat “het tegenwoordige gebouw een wat sobere indruk [maakt], maar vanuit de tuinen en parken ligt het veel vriendelijker te midden van een luister, die waarlijk verdiende meer bekend te zijn. Het rijke landschapspark van het Hof te Dieren vormt op waardige wijze de oostelijke hoeksteen van het schoonheidspaleis van de Veluwezoom”. Het 19e-eeuwse huis brandde begin 1945 door oorlogsgeweld af. Enkele tientallen jaren later werd de overgebleven ruïne geheel uit het landschap verwijderd.

 

De ontworpen appartementen werden niet verkocht en dus zocht Stichting Twickel naar een nieuwe architect. Het bestuur van Stichting Twickel koos deze keer voor nostalgische, historiserende bouw. Het nieuw te bouwen landhuis moest refereren aan het verleden van het landgoed. Een keuze die Van Gessel niet gemaakt zou hebben. “Ik heb moeite met historiserende bouw. Het is een gemiste kans. Architectuur, landschapsarchitectuur heeft met cultuur te maken. Alles wat de mens maakt, heeft met cultuur te maken. Daarom moet je je eigen tijd neerzetten en niet teruggrijpen. Teruggrijpen is per definitie een slap aftreksel van iets wat toen goed was.” Tegelijkertijd vindt Van Gessel dat je je als (landschaps)architect moet voegen in de bestaande situatie en luisteren naar de context. “Je voegt, en je voegt vervolgens iets toe. Op het eerste gezicht lijkt het of het gebouw hier altijd heeft gestaan of dat dit park hier altijd zo heeft gelegen, maar bij de tweede blik zie je dat het nieuw is. Nou, dat is intelligent ontwerpen.”

 

Bij Hof te Dieren had Van Gessel uiteindelijk toch enige invloed op de keuze voor architect. De Stichting was namelijk uitgekomen op twee architectenbureaus: Krier & Kohl uit Berlijn en Egbert Hoogenberk van Harmonische Architectuur uit Brummen, beide zijn het bureaus die bekend staan om hun ontwerpen met referenties naar het verleden. De keuze viel op het Berlijnse architectenbureau, waar Van Gessel al eerder mee had samen gewerkt. “Hun architectuur hangt tegen het historiserende, maar is wel een intelligente herinterpretatie.” Als landschapsarchitect had Van Gessel randvoorwaarden opgesteld waaraan voldaan moest worden bij de bouw van een nieuw landhuis. Het moest een gebouw zijn dat een klassiek idioom hanteert, er mogen geen individuele tuinen aangelegd worden in het park en parkeren gaat onder de grond: “Ik werk niet aan buitenplaatsen mee als parkeren niet  onder de grond plaatsvindt. Parkeerterreinen aanleggen in een bos of moestuin is vegeteren. En dat vind ik erg kwalijk. Als mensen met allure willen wonen, dan zullen ze ook met allure parkeren. Een buitenplaats is namelijk een stedelijk fenomeen in een landelijk gebied. Als je een buitenplaats wilt hebben, zul je twee dingen moeten doen. Ten eerste moet je een culturele daad stellen door het buiten te restaureren of een nieuwe groene omgeving te geven. Ten tweede moet je net zo chique wonen als in de stad. En in de stad pieker je er toch ook niet over om de gracht te dempen en er een parkeerplaats van te maken? Dus dan moet je dat in het buitengebied ook niet doen.”

 

  

Parkontwerp Michael van Gessel

& 2009 concept ontwerp voor het huis door Krier & Kohl

 

 

OP ZOEK NAAR DE ECHO VAN DE GESCHIEDENIS

Tegenwoordig staat Van Gessel bekend als iemand die buitenplaatsen en landgoederen renoveert of daarover adviseert. Zo heeft hij onder meer samen met Catharina van Groningen (RACM) een visie geschreven over de buitenplaatsen van de Stichtse Lustwarande in provincie Utrecht. Ze bekeken wat de hoofdprincipes waren en stelden randvoorwaarden op voor nieuwe ontwikkelingen. “Er moest een geheel ontstaan van de verschillende onderdelen: recreatie, economie, ruimte, landschap, bestuur…. Dus heb ik gezegd dat er een kwaliteitsteam moet komen, die de grote lijnen bewaakt, die bekijkt hoe je om gaat met de buitenplaatsen en die een kader opstelt waarbinnen nieuwe ontwikkelingen kunnen spelen.” Van Gessel heeft ook opgemerkt dat sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw er een omslag is gekomen, dat er vanaf dat moment veel meer geïnvesteerd werd in het landelijke gebied. Niet alleen op de landgoederen, maar ook in de directe omgeving. De stedelijke en infrastructurele ontwikkelingen kunnen een sterke invloed hebben op de landgoederen. Zo kunnen de vistas en panorama’s, die een belangrijke rol spelen bij vele landgoederen, opeens doorsneden worden door een weg. “Ik vind het heel erg wat bij Middachten gebeurd is,” vertelt Van Gessel. “De weg van Arnhem naar Zutphen gaat hier dwars door een zichtlijn, dat vind ik nogal heftig. Destijds is ook heel erg geprotesteerd hier tegen. Maar als zo’n weg er eenmaal is, dan moet je hem niet wegplanten, want je krijgt hem toch niet weg.”

 

Ondertussen is het landschapsplan dat Van Gessel voor Hof te Dieren maakte, grotendeels uitgevoerd. Typerend voor Van Gessel is dat hij voortbouwt op het bestaande landschap, op hetgeen dat er is. “Ik kijk altijd naar de geschiedenis, bij elk object. Eigenlijk teken ik het landschap opnieuw en ga ik onderzoeken hoe de ene fase uit de volgende komt. Soms zijn er wel vijf fasen, zoals bij Twickel. Dat begint in de middeleeuwen en wordt steeds ingewikkelder. Door zo te werken, ga ik zelf snappen waarom het is zoals het is, waarom het er zo uit ziet. Ik zie de ingrediënten, de lagen van het landschap. Dat is een echo van de geschiedenis. Soms zijn die oudste lagen nog steeds terug te vinden, misschien niet in het object, maar wel in de structuur. En dan ga ik het opnieuw componeren. Ik neem het bestaande landschap als uitgangspunt en dan kijk ik wat ik terug kan halen van de oude situaties, zodat het weer een compositie wordt dat een geheel is. Geschiedenis is niet teruggaan, maar een rijkdom die je nog meer kunt verrijken. En je mag transformeren, je kunt niet stil blijven staan. Gebieden waar je niets doet, zijn ten dode opgeschreven. Je moet wel investeren. En dan ga je verder, naar een volgende fase, zodat oud en nieuw een geheel vormen.”

 

Bij Hof te Dieren was de laatste fase, het 19e-eeuwse landschapspark, het belangrijkst. In 1823 werd door de tuinarchitect Jan David Zocher jr. (1791-1870) het parkgedeelte ten zuidoosten van de Zutphensestraatweg opnieuw ingericht in landschapsstijl. Deze nieuwe aanleg bleef in hoofdlijnen herkenbaar, ook na de omstreeks 1870 in opdracht van de toenmalige eigenaar baron Van Heeckeren door de tuinarchitect C.E.A. Petzold aangebrachte wijzigingen. Waarschijnlijk zijn toen door het kappen van bomen de aangrenzende weilanden meer dan voorheen bij de aanleg betrokken. In de weilanden werden enkele boomgroepen aangeplant. Ook de ommuurde moestuin is toen toegevoegd.  “Bij de landschapsstijl hoort een dynamische ruimtebeleving, het verandert voortdurend als je er loopt. Daarbij ben ik nauwelijks met zichtlijnen bezig, zoals Petzold dat vroeger deed. Wel met een aantal zichtlijnen, één of twee die je goed componeert. Maar ik ben vooral bezig met die beweging, het ritme van open en dicht. Ik vind het ontwerp van Zocher veel mooier dan dat van Petzold. Heb ook meer affiniteit met de abstractie van Zocher. De vijverpartijen van Zocher zijn leidinggevend bij Hof te Dieren. En als je de schoonheid van Zochers plan ziet, dan zie je ook de suffigheid van de late 19e eeuw, van Petzold. Dat is heel druk en vol."

 

“Bij Hof te Dieren ben ik sterk voorstander geweest van de bouw van een nieuw landhuis. Het park is namelijk gericht op een huis dat er niet meer is. Het voelt aan als een lege plek. Alles richt zich op niks. Een nieuw landhuis zou het landgoed zijn kern weer teruggeven,” zegt Van Gessel. Het nieuwe landhuis op Hof te Dieren moet niet alleen ervoor zorgen dat het landgoed weer zijn kern terugkrijgt. Stichting Twickel hoopt ook dat hiermee het landgoed als geheel in stand gehouden kan worden. De nieuwe bewoners van het landhuis dienen namelijk erfpacht te betalen voor het onderhoud van het park. “Dat is natuurlijk heel legitiem”, vindt Van Gessel. “Daarmee heb je een zorg minder. Zo kun je het landgoed voor de toekomst, voor iedereen behouden. En met al dat geld kun je weer een stuk landschap goed krijgen. Op die manier kun je heel goed doel en middelen aan elkaar koppelen.“