HENRI KLEIJER, BOSBAAS OP MIDDACHTEN

 

 

“Er is niks van mezelf hier op het landgoed, nog geen theelepeltje grond, maar ik beschouw het en behandel het als van mezelf; ik ben er trots op als de boel goed draait. Ik werk sinds 1992 als bosbaas op Middachten; ik hoop er nog lang te blijven. Het is een unieke plek voor bosbeheerders die zowel belangstelling hebben voor bosbouw als voor jacht. Meestal is dat gescheiden, maar niet op dit landgoed.

Ik had nooit gedacht dat ik aangenomen zou worden. Ik was eenentwintig met alleen lagere bosbouwschool. Ik kreeg een telefoontje om nog diezelfde middag langs te komen. Ik was heel verrast. Ik zat onder de hars en moest dringend naar de kapper. Mijn moeder heeft nog een poging gedaan om mijn haar te fatsoeneren, maar dat was niet erg succesvol. Een paar dagen later mocht ik terugkomen voor een gesprek met de beide graven. Ik werd direct aangenomen.

Graaf Zu Ortenburg was een vooruitstrevend bosbouwer. Ik heb veel van hem geleerd. Dat gaf soms wel wat strubbelingen. De graaf had ooit in een perceel bos een aantal bomen aangemerkt als ‘toekomstbomen’. Dat zijn bomen die niet gekapt mogen worden, zodat ze zich verder kunnen ontwikkelen. Hij had mij opdracht gegeven de bomen die daar omheen stonden te ringen, zodat ze langzaam “op stam” dood zouden gaan. Op die manier zouden de toekomstbomen langzaam de ruimte van de dode bomen innemen zonder zijtakken te ontwikkelen. Ook zouden ze minder risico lopen om te vallen tijdens stormen. Nou hield ik erg erg van zagen en ik dacht dat het veel beter zou zijn de omringende bomen te kappen en te verkopen. Zo is het gebeurd. Toen ik dit met enige trots vertelde, ontplofte de graaf. Hij vroeg of ik dacht dat hij – de graaf – soms aan het spelen was in het bos! Gelukkig bleef graaf Zu Ortenburg nooit lang boos.

Toen ik net was aangenomen op Middachten, kreeg ik de opdracht de bomen te markeren die gekapt moesten worden. Nadat ik al een tijdje bezig was, kwam de graaf kijken. “Je markeert wel érg weinig bomen”, zei hij. Ik had mijn antwoord klaar. Ik zei dat het risico op stormschade groot zou zijn als er zo veel bomen gekapt zouden worden. Dan zouden de mensen zeggen dat “die stomme boswachter” het niet goed had gedaan. “Maar dat zeggen ze niet van de eigenaar,” zei de graaf, “dus we gaan samen verder!” In de rest van dat perceel werden dus veel meer bomen gemerkt en later gekapt. Zo veel zelfs dat toen later controleurs van de provincie kwamen om te zien of Middachten zich wel aan de Boswet hield en geen kaalkap zonder vergunning had gepleegd, de rentmeester heeft moeten praten als Brugman om alles recht te breien. Maar de graaf had het bij het rechte eind: er kwam een prachtige bos op in dat perceel. Jaren later was nog steeds het verschil te zien tussen het stuk dat de graaf gemarkeerd had en het stuk dat door mij gemarkeerd was.

 

“Die stomme boswachter zal het wel niet goed gedaan hebben”

 

Met plezier denk ik terug aan het voorval met het blik verf. Ik had voorgesteld om het blessen – het merken van de bomen – niet meer met een mes te doen maar met een spuitbus. Graaf Zu Ortenburg dacht dat dit veel te duur was. Hij wist een goedkopere methode. Hij liet afgedankte verfresten mengen tot een geelachtige kleur, waarna hij er met de fiets, het blik verf en een bokkenpoot op uittrok. Stammen markeren met een kwast bleek een nogal vies werkje, zodat wij helemaal onder de verf kwamen te zitten. De fiets van de graaf was hetzelfde lot beschoren. Het verfblik dat achterop had gestaan, had niet goed dichtgezeten…

Maar ik was niet alleen in het bos bezig. Toen de gravin wat ouder werd, reisde zij vaak per trein naar haar landgoed in Duitsland. Ik kwam op een bepaald moment terug van de jacht, en ik moest haar naar het station in Arnhem brengen. Ik had net een ree geschoten en de ingewanden eruit gehaald. Mijn kleren zaten onder het bloed en de modder; ze stonken vreselijk. Maar dat maakte de gravin kennelijk niets uit, want ze vroeg mij of ik haar koffers de trein in wilde brengen. We waren nog op zoek naar de gereserveerde plaats toen de deuren dichtgingen. Ik kon niet meer uitstappen. De gravin ging op zoek naar de conducteur om de trein direct te laten stoppen. Ze kon hem echter niet vinden, en ze vroeg aan mij dan maar naast haar te gaan zitten. Ik schaamde me dood in die chique trein, met reizigers die me verbaasd en gniffelend aankeken. Ten slotte kwam de conducteur en de gravin voer tegen hem uit: “Waar was je nou toen we je nodig hadden?” Ik was bang dat we een boete zouden krijgen, maar de conducteur kon wel lachen om het geval. In Oberhausen kon ik met geld van de gravin, want ik had zelf niets bij me, een kaartje naar Emmerich kopen, waar ik opgehaald werd door de tuinman van Middachten. Later zei ik tegen de gravin dat ik me vreselijk had geschaamd in mijn vieze, stinkende kleren. Ze antwoordde: “Och, kijk toch eens om je heen hoe anderen erbij lopen!”

Dat de gravin weinig gelegen liet liggen aan uiterlijk vertoon en niet pronkte met haar afkomst blijkt ook uit een bezoekje aan een bijeenkomst in de plaatselijke kerk. De gravin en mijn echtgenote gingen samen. Toen mijn vrouw zich had voorgesteld en het de beurt van de gravin was, zei deze slechts: “Ik ben haar buurvrouw.”

De grote hobby van de gravin was paardrijden. Op een dag was ik in Harskamp om camouflagenetten voor de duivenjacht in de uiterwaarden te kopen. Via mijn portofoon hoorde ik dat het paard van de gravin zonder zijn berijdster naar huis was gerend. Ik keerde snel naar Middachten terug en trof bij de uitgang van het bos niet alleen de gravin aan op een brancard – samen met de politie en een ambulance – maar ook een fotograaf. Toen ze mij zag, riep ze uit:  “O, dáár ben je, waar was je nou nu ik je nodig had? Ga er voor staan, ik wil niet dat ze me op de foto zetten.”’